Groene koolstofvastlegging, een kans van €429 miljard
Carbon Dioxide Removal (CDR), het proces van het verwijderen en opslaan van CO₂ uit lucht en oceanen, krijgt wereldwijd steeds meer aandacht, ook recentelijk in Nederland. Sophie Hermans, de Nederlandse minister van Klimaat en Groene Groei, presenteerde onlangs een uitgebreide routekaart, terwijl de provincie Gelderland, in samenwerking met andere provincies, een marktverkenning uitvoerde. Deze ontwikkelingen zijn essentieel voor het aanpakken van klimaatuitdagingen en bieden oplossingen voor urgente beleidsvraagstukken zoals stikstofemissies en waterkwaliteit. Als Nederlandse overheden nu de juiste beslissingen nemen, kan koolstofvastlegging tegen 2050 een maatschappelijke waarde opleveren van minimaal €429 miljard.
Ondernemers in de CDR-sector, verenigd in de Climate Cleanup Foundation, verwelkomen deze groeiende aandacht. Gevoed door de praktijk pleiten zij voor integrale oplossingen. Door lokale koolstofvastlegging te bevorderen, kan klimaatbeleid tegelijkertijd bijdragen aan een duurzame economie, woningbouw, bodem- en waterkwaliteit, en volksgezondheid. Groene koolstofvastlegging biedt ook een sleuteloplossing voor het stikstofprobleem.
De rol van de overheid bij koolstofvastlegging
De routekaart van Hermans maakt de noodzaak van koolstofvastlegging duidelijk en kent de overheid een belangrijke rol toe. Dit beleid schept betrouwbaarheid via Europese certificering en financiële ondersteuning voor het opschalen van vastleggingsinspanningen. De ministeriële aanpak bettrekt de private sector echter voornamelijk via emissieverrekening. Deze aanpak is omstreden omdat hij te sterk de nadruk legt op technologieën die aansluiten bij fossiele belangen. Waarom zou koolstofvastlegging niet gefinancierd worden als publieke nutsvoorziening (met middelen die bij vervuilers worden opgehaald), net zoals snelwegen of dijken? Vastlegging is immers cruciaal voor het voorkomen van onbeheersbare klimaatverandering, ongeacht of bedrijven bereid zijn te betalen.
In tegenstelling tot de routekaart van Hermans gebruikt de provinciale marktverkenning de term “koolstofvastlegging” (koolstofvastlegging) in plaats van “koolstofverwijdering (koostofverwijdering).” Deze terminologie benadrukt waardecreatie beter: CO₂ wordt actief opgeslagen in materialen zoals houtbouw, bodems en oceanen. Deze aanpak verschilt fundamenteel van CCS (Carbon Capture and Storage), waarbij emissies worden afgevangen bij de productie van fossiele energie.
Groene vs. grijze methoden voor koolstofvastlegging
De provinciale marktverkenning onderscheidt “grijze” en “groene” methoden voor koolstofvastlegging. Grijze methoden omvatten industriële technieken zoals BECCS (Bio-Energy with CCS) en DACCS/DOCCS (Direct Air/Ocean CCS: mechanische verwijdering en opslag van CO₂ uit lucht of oceanen). Voorbeelden zijn biomassacentrales met extra afvanginstallaties, machines die CO₂ rechtstreeks uit de lucht filteren, en elektrochemische processen in oceanen. Deze grijze technieken vereisen momenteel ingrijpende innovatie, energie en investeringen, terwijl ze beperkte directe voordelen bieden voor andere beleidsterreinen zoals stikstofvermindering.
Groene, natuurgebaseerde oplossingen omvatten bosbouw, bodembeheer, biobased bouwmaterialen, regeneratieve landbouw en innovaties zoals versnelde verwering van gesteenten, biochar en actief veenherstel. Deze groene methoden zijn vandaag al toepasbaar en bieden duidelijke synergieën met ander beleid op het gebied van landbouw, woningbouw en natuurherstel.
Gemiste kansen in de landbouw
Opvallend is dat het ministerie minder aandacht besteedt aan koolstofvastlegging in landbouwbodems en regeneratieve landbouwmethoden — een gemiste kans. Regeneratieve landbouw biedt boeren nieuwe inkomstenstromen via vezelproductie voor biobased bouwmaterialen, terwijl tegelijkertijd aanzienlijke stikstofvermindering wordt gerealiseerd. Bodems onder regeneratieve landbouw kunnen tot tien keer meer koolstof opslaan dan conventioneel beheerde bodems, zoals aangetoond door bedrijven als Ketelbroek Food Forest en regeneratief bedrijf Horaholm.
Recente berekeningen van het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) en het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) tonen aan dat stikstofemissies niet met 40% maar met 80% moeten worden teruggedrongen, waardoor een fundamentele landbouwtransformatie onvermijdelijk is. Dit biedt de kans om te verschuiven van een verouderd landbouwmodel dat steunt op pesticiden en kunstmest naar veelzijdige regeneratieve praktijken die zowel gezond voedsel als bouwmaterialen produceren.
Kansen in de bouw
Ook de bouwsector neemt biobased materialen steeds serieuzer. Bedrijven als Ballast Nedam tonen aan dat gebouwen CO₂ kunnen opslaan (“Construction Stored Carbon”). Dit schept een unieke kans voor samenwerking tussen landbouw-, milieu- en woonbeleid: boeren produceren bouwmaterialen met minimale stikstofuitstoot, terwijl bouwers duurzame woningen realiseren.
Enorme maatschappelijke waarde
De maatschappelijke waarde van deze inspanningen is enorm. Volgens Duitse berekeningen kost elke ton CO₂ in de atmosfeer de samenleving €875 door klimaatschade zoals dijkversterkingen of stormschade. Door CO₂ actief op te slaan in bodems en bouwmaterialen worden deze kosten voorkomen en worden tegelijkertijd economische baten gegenereerd uit voedsel- en materiaalproductie. Met een potentieel van, volgens de provinciale marktverkenning, 490 megaton CO₂-vastlegging in Nederland tegen 2050 bedraagt deze maatschappelijke waarde €429 miljard — en dan zijn de aanvullende voordelen voor boeren, bouwers, natuurherstel en toekomstige generaties nog niet eens meegerekend.
